Ik heb een kruipruimte. Hoe kan ik het beste isoleren?

Er zijn op hoofdlijnen twee systemen:
- Vloerisolatie: dit is isolatie die aan de onderkant tegen de vloer wordt aangebracht. Dit kan toegepast worden als de kruipruimte goed bereikbaar is en ten minste 50 cm hoog is. Isolatie kan worden gespoten of er kunnen platen, dekens of foliekussens aan de vloer bevestigd worden. Als de kruipruimtebodem vochtig is, kan je eerst een bodemfolie (laten) plaatsen en de kruipruimte laten drogen. Dit werkt prettiger, zorgt dat er geen vocht achter de isolatie komt en houdt de kruipruimte droger. De isolatie moet goed sluitend zijn (geen naden). Isoleer de bovenste 30 cm van de kruipruimtefundering mee, om koudebruggen langs het metselwerk te beperken. Bij een houten vloer wordt de isolatie bij voorkeur niet direct tegen de vloerplanken gemonteerd maar op een kleine afstand, bijvoorbeeld onder de balken door. Bij vooroorlogse woningen met een houten vloer wordt vaak gekozen voor een dampopen isolatie. Pas in deze situatie ook een bodemfolie toe.
- Bodemisolatie: dit is een dikke laag isolatiemateriaal die op de bodem van de kruipruimte wordt 'gestort'. Deze gaat meteen de verdamping van vocht uit de bodem tegen. Bodemisolatie is het meest effectief in kruipruimten van geringe hoogte (30 - 40 cm).
Zorg er bij beide isolatiesystemen voor dat de kruipruimteventilatie goed blijft werken. Of als het niet meer goed werkt, maak deze schoon of herstel ze.
Als er leidingen door de kruipruimte lopen, isoleer die dan ook. Doordat de kruipruimte kouder wordt, nemen de warmteverliezen (en evt. bevriezingskans) toe.
Als er isolatiemateriaal met damprem wordt toegepast, dan moet de damprem aan de bovenkant (warme kant) zitten.    

Nog op zoek naar antwoorden?

Staat je vraag er niet tussen? Het energieloket helpt je graag verder. Je kunt ons bellen, e-mailen of binnenlopen tijdens ons inloopspreekuur.

Neem contact op